Goede voeding sterkt je lichaam én je geest

0

Als arts wist Machteld Huber (1951) veel over ziektes. Maar toen ze zelf ziek werd, vertelde haar gevoel nog een ander verhaal. In haar zoektocht ontdekte ze dat voeding meer is dan ‘brandstof die je tankt’. Ze vertelt hoe ze in de loop der jaren, meekijkend met biodynamisch landbouwonderzoek, ging inzien hoe belangrijk ‘goede voedingskwaliteit’ is voor de gezondheid.

In mijn opleiding als arts in de jaren ‘70 heb ik geleerd om naar de mens en ook naar voeding te kijken vanuit een denken in stoffen; in moleculen waaruit het lichaam is opgebouwd en die in chemische processen steeds veranderen, en in de inhoudsstoffen, de nutriënten, die in een voedingsmiddel zitten.

Hoe anders ben ik daar in de loop van mijn (werk)leven over gaan denken, door wat ik zag in onderzoeksprojecten en door mijn persoonlijke ervaringen. Het begon ermee dat ik zelf ernstig ziek werd rond mijn 30e en ofschoon ik medisch precies wist wat er aan de hand was, ging mijn beleving als patiënt over véél meer dan alleen over mijn lijf als ‘een stofjesding’. Juist door die ziekte veranderde er iets fundamenteels in mijn gevoelsleven, waar ik achteraf heel dankbaar voor ben. Ik ontdekte dat mijn lichaam en geest geen gescheiden zaken zijn, maar dat ze elkaar diep doordringen en beïnvloeden.

Ná die eerste ziekte werd ik in korte tijd nogmaals ziek, wel drie keer en met verschillende ziektes. Iedere keer was er ook een sterke gevoelsmatige kant bij die ziekte én kon ik, door naar mijn gevoel te luisteren, mijn lichamelijke toestand positief beïnvloeden en mijn herstel bevorderen. Ik raakte er diep van overtuigd dat het zinvol is om breder te kijken naar gezondheid dan als alleen een lichamelijke zaak en als ‘afwezigheid van ziekte’, zoals ik geleerd had in mijn studie.

Omdat ik wat wilde doen met die waardevolle ervaringen en ze wilde toevoegen aan de zorg, werd ik onderzoeker op het Louis Bolk Instituut (LBI). Nu is het LBI een bijzonder instituut, omdat het multidisciplinair is en er naast medisch onderzoek ook veel landbouwonderzoek wordt gedaan. Wat heb ik veel geleerd van meekijken bij dat landbouwonderzoek! Want een plant groeit nu eenmaal sneller dan een mens. En wat ik daar zag veranderde mijn denkwijze nog verder.

Tech-sla en BD-sla

Veel indruk maakte een vergelijkende studie in de jaren ‘90 tussen twee heel verschillende ‘duurzame’ manieren – nog altijd actueel – van het telen van sla. Op dezelfde dag werd hetzelfde sla-zaad gezaaid. In de ene situatie in een super-hygiënische, verwarmde en verlichte kas, waar de sla groeide op water, met computer-gedoseerde voedingsstoffen. Het gebruikte water werd gerecycled en er werden geen bestrijdingsmiddelen gebruikt. Om de kans op besmetting met ziektes heel klein te houden, kwamen geen mensen in de kas – alleen een robot – en er ging nooit een raam open, zodat er geen insecten binnen konden komen. Deze manier van telen wordt tegenwoordig ‘hydroponics’ genoemd.

De andere slateelt was ook in een kas, maar op een biodynamisch bedrijf. De kas was niet verwarmd en verlicht. De bodem bestond uit organisch bemeste aarde, de ramen stonden vaak open en mensen werkten er tussen de slaplanten.

Al snel was er duidelijk een verschil in groeisnelheid te zien: na een maand was de technologische sla oogstrijp, terwijl op dat moment de biodynamische sla nog een klein plantje was. Die sla was pas een maand later oogstrijp. De technologische slateelt was dus veel efficiënter, want in de tijd die de biodynamische sla nodig had voordat hij geoogst kon worden, konden twee teelten technologische sla opgroeien.

Maar er bleken wel grote verschillen te zijn: de technologische sla (verder tech-sla) had lange, wat slappe bladeren, terwijl de biodynamische krop (verder BD-sla) compact en bol was. De laboratoriumanalyse toonde meer ‘droge stof’ in BD-sla, dus tech-sla bevatte meer water. Ook bevatte tech-sla veel meer nitraat. Bij de bewaartest was tech-sla veel korter houdbaar en rotte snel weg. De smaak was ook verschillend: tech-sla smaakte ‘waterig’, terwijl de smaak van BD-sla omschreven werd als ‘typische rijpe sla-smaak, nootachtig’.

Wát een verschil!

Maar andere verschillen maakten op mij nog veel meer indruk: de onderzoekers lieten van beiden slateelten ook een aantal kroppen doorgroeien na het moment dat ze anders geoogst zouden zijn, om te zien hoe de verdere ontwikkeling ging. En wat bleek: tech-sla bleef meer en meer blad maken, werd een soort reuzenkrop met heel veel blad en rotte tenslotte weg. Maar BD-sla toonde iets heel anders: de krop veranderde van vorm en uit de top kwam een stengel tevoorschijn, waaruit een grote bloemkroon ontstond vol gele bloemetjes. Toen die bloemetjes verdroogden kwamen daar heel veel kleine zaadjes uit tevoorschijn. Wát een verschil!

Ik leerde van dit experiment dat planten een natuurlijke ontwikkeling hebben, die in twee fasen is onder te verdelen: eerst is er de ‘groeifase’ met veel bladvorming. Daarna komt de ‘differentiatiefase’: de groei neemt af en de planten gaan bloeien en allerlei kleuren en geuren vertonen. Na die bloei ontstaat vrucht- en zaadvorming – dat is de normale levensloop van planten. Maar de technologische sla toonde dus maar een deel van die ontwikkeling.

Het deed mij denken aan processen die normaal ook in alle cellen van het menselijk lichaam werken: groei en differentiatie. In het zich ontwikkelende embryo beginnen cellen te groeien, die zich al gauw gaan specialiseren tot typische orgaancellen. Die specialisatie noemen we ook differentiatie. Vanaf het moment dat ik mij die overeenkomst realiseerde, ben ik mee gaan denken in dit onderzoek.

Voeding die tot daden aanzet

Want wat betekent dit nu voor de voedingskwaliteit van de sla? Het werd mij duidelijk hoe zinvol het is om te denken in levensprocessen en van daaruit pas in stoffen. Bij de differentiatiefase van een plant ontstaan uiterlijk kleuren, geuren en nieuwe vormen. Maar dat drukt zich ook uit in het ontstaan van allerlei nieuwe stoffen, zoals suikers en aroma’s. Dat merk je in de smaak. Je noemt een product ‘rijp’ als het heel lekker is gaan smaken. Als je bijvoorbeeld een groentetuin hebt of een appelboom in je tuin, is het de moeite waard om een product tijdens zijn ontwikkeling diverse keren te proeven. Indrukwekkend hoezeer de smaak verandert! Maar nu die voedingskwaliteit?

Uiteraard eet je geen bloeiende sla, die smaakt ook helemaal niet meer lekker. Maar je kunt het bij een slaplant wel proeven als die differentiatiefase inzet. Dan verandert de smaak van ‘waterig’ in wat je een ‘typische volle slasmaak’ noemt. ‘Goede voedingskwaliteit’ ontstaat als geoogst wordt op het juiste moment:  als de sappigheid van de eerste fase er nog is én de smaak van de tweede fase zich al heeft ontwikkeld. We zijn dit ‘de innerlijke kwaliteit’ van een product gaan noemen, die dus verder gaat dan alleen inhoudsstoffen.

Om die ‘innerlijke kwaliteit’ ook zichtbaar te maken en te ‘meten’, ben ik geïnteresseerd geraakt in laboratoriumtechnieken die ‘beeldvormende methoden’ genoemd worden. Het gaat te ver om dat hier uit te leggen, maar toen ik mij daarin verdiepte las ik de biografie van een grondlegger van deze methoden, Ehrenfried Pfeiffer (1899-1961). Als scheikundestudent reisde hij soms mee met Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie en van de biodynamische landbouw. En nu komt wat op mij veel indruk maakte: op een gegeven moment staan de heren op een stationnetje op een trein te wachten en vraagt Pfeiffer aan Steiner: ‘Doktor Steiner, nu vertelt u zoveel over wat de mensen zouden kunnen doen om het leven op allerlei terreinen beter en gezonder te maken, maar waarom doen de mensen daar zo weinig mee?’ Waarop Steiner antwoordt: ‘Dat komt door de voeding. Daardoor blijft veel in het hoofd van de mensen hangen en komt het bij hen niet tot daden. Eigenlijk zou de hele wereld besproeid moeten worden met biodynamische preparaten.’ Oef! Wat las ik nou? Zouden die biodynamische preparaten zo’n indrukwekkende werking kunnen hebben?

Nu was het bijzondere van werken op het LBI, dat ik weer kon meekijken: mijn collega-onderzoekers, waaronder Edith Lammerts van Bueren, deden onderzoek met preparaten bij diverse gewassen, op diverse grondsoorten. Hun conclusie was: biodynamische preparaten werken regulerend en harmoniserend op de ontwikkeling van planten. Waar een gewas op een vette kleigrond juist heel sterk zou groeien, bleken de preparaten de groei af te remmen, terwijl bij eenzelfde gewas op een schrale zandgrond de groei juist gestimuleerd werd. En daarnaast bevorderden de preparaten een goede rijping van gewassen. Hoe bijzonder! Geen stimulans in één richting dus, maar een werking afhankelijk van de omstandigheden en dan harmoniserend.

Tomaat met krachtige persoonlijkheid

Maar hoe moest ik begrijpen dat voedsel, dat met dergelijke preparaten behandeld was, de mensen meer tot daden zou aanzetten? Daarvoor was het nodig dat ik voedsel ging zien als méér dan ‘brandstof’, die je als het ware ‘tankt’. Rudolf Steiner spreekt over het verteringsproces als een ‘ontmoeting en uitwisseling’, waarbij het lichaam het eigene van het voedingsmiddel moet afbreken en overwinnen en daarbij, juist dóór dat afbreken, sterker wordt, om daarna met die levenskrachten zijn eigen lichaam op te bouwen.

Wat mij hielp om dit te begrijpen waren de ervaringen van een goede vriendin, die zeer allergisch was voor heel veel voedingsmiddelen. Zij vertelde dat zij van een biodynamische tomaat heel ziek werd, terwijl zij een tomaat van de glaswolteelt (op water) wél kon eten. Ze ervaarde aan haar lichaam wat een krachtige ‘persoonlijkheid’ die biodynamische tomaat was, zó krachtig, dat haar lichaam niet de kracht had die te overwinnen en ‘eigen’ te maken. En dit deed niets af aan haar grote enthousiasme voor de biodynamische landbouw én voeding, integendeel! Zij was ervan overtuigd dat een mens daar veel gezonder van wordt, ofschoon dat haar niet gegeven was.

Maar wat is dan die gezondheid? Vanuit mijn medische achtergrond heeft die vraag dus bij uitstek mijn belangstelling! Ik heb daar uitgebreid aan mogen werken, gestimuleerd door mijn eigen ervaringen met ziekte én wat ik allemaal leerde uit onderzoek. Er is een definitie van de WHO – de Wereld Gezondheids Organisatie – van 1948 die heel idealistisch is, maar de lat zó hoog legt dat eigenlijk niemand gezond genoemd kan worden: ‘Gezondheid is een toestand van compleet welbevinden, lichamelijk, psychisch en sociaal, en niet de afwezigheid van ziekte’. Geformuleerd in een tijd dat er vooral infectieziekten waren en men dacht met de nieuw beschikbaar gekomen antibiotica alle ziekte de wereld uit te helpen. Die omschrijving past niet in de huidige tijd, waarin mensen vooral chronische ziektes hebben, waarmee ze toch oud kunnen worden.

Ik ben gezondheid gaan zien als een voortdurend gesprek, een uiteenzetting, met de omringende wereld, met ál zijn facetten, waardoor je voortdurend uitgedaagd wordt om daar een verhouding toe te vinden en mee om te leren gaan. Het gaat volgens mij om veerkracht. En zoals Nietzsche al zei ‘Waar ik niet dood aan ga, maakt mij sterker’. Dat betekent dus dat het leven je voortdurend helpt om te groeien. En dat dan vooral op jóuw manier. Ik had het voorrecht om in opdracht van de Nederlandse Gezondheidsraad en ZonMw (financier van medisch onderzoek) te mogen werken aan een nieuwe omschrijving van gezondheid. Dat is geworden ‘Gezondheid als het vermogen om je aan te passen en je eigen regie te voeren, in het licht van de sociale, fysieke en emotionele uitdagingen van het leven’ (Huber, M. et al. How should we define health? BMJ 2011, 343(4163):235-237.

Beste lezer, tot zover de ontwikkeling van mijn geleidelijke ‘omdenken’.

Ik wens u een gezond en gelukkig leven!

Machteld Huber

Dit artikel verscheen in de Jubileumspecial van Demeter Magazine 1924-2024, ter ere van 100 jaar biodynamisch. Kijk voor alle jubileumactiviteiten, zoals allerlei uitjes naar de boer, op bdvereniging.nl/100jaar.

Comments are closed.